Column: Speelkwartier

Op mijn lagere school in het buurtschap Ankum hing in de gang een deurbel. Ik vond dat als kind een interessant ding, zeker vanwege die twee hangende pijpen. Die hingen ook in ‘burgerhuizen’, op onze boerderij thuis hadden we geen bel. Daar riep een onbekende bezoeker ‘Volluk’. Wanneer de bel op school ging, betekende dat speelkwartier: rennen, bewegen, roepen, uitleven. Kinderen in de zesde klas, dat heet tegenwoordig groep acht, renden soms nog mee maar minder onbezonnen. Andere interesses, ander gedrag.
Het beeld van dat Ankumse speelkwartier van toen is van alle tijden en alle plaatsen, wereldwijd. Kinderen zijn nu eenmaal beweeglijker dan volwassenen. Waarom het trouwens een speelkwartier was, geen idee.


column-spenen

Het speelkwartier eindigde met een scheidsrechtersfluit. De hoofdmeester kwam dan naar buiten, koos altijd dezelfde plek en floot de kinderen binnen. Lammeren kennen ook een dagelijks speelmoment. Tegen de avond rennen ze samen als een dolle door het weiland: snel en als het even kan nog een paar bokkensprongen tussendoor. Als ze op stal zijn, begint het als de ooien gevoerd worden en staan te eten. Dat is hun beginsignaal. Maar in de weide is zo’n signaal er niet. Het begint ineens, zonder bel. Rondjes, vooral rondjes rennen, van niks naar nergens. En het eindigt ineens. Zonder fluit. En warempel: ongeveer na een kwartier.

Onlangs was ik bij collega-schapenhouder Leo. Hij had een stel jonge lammeren in de weide en vertelde dat hij zo genoot van het speelkwartier. Eén lam was al zo’n tweeënhalve maand oud. ‘Die speelt niet meer mee’ zei Leo, ‘die denkt dat ie al groot is’.
Mijn inschatting: zesde klas - groep acht.

Comments are closed.